De delta van Overijsselse Vecht 3850 v.Chr

Het oerdal van de Vecht is ontstaan in de voorlaatste ijstijd, het Saalien, waarin het landijs een goot deel van Nederland bedekte. Toen het ijs begon te smelten werd in het midden van het land een groot smeltwaterdal uitgeslepen. In die tijd stroomde ook de Rijn naar het noorden, door het dal van de huidige IJssel en voegde zich bij de Vecht. De Rijn heeft een groot deel van het dal opgevuld met sediment. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien kwam het landijs niet tot in Nederland. De Rijn verlegde tijdens het Weichselien zijn loop naar zee rechtstreeks richting het westen.
In het oude dal van de Rijn was een zandige waterscheiding ontstaan die Nederland verdeelde in een noordelijk stroomgebied en een zuidelijk stroomgebied. Door het restant van het noordelijke stroomdal liep lange tijd een kleinere rivier. Pas in de Middeleeuwen brak het water door de zandrug en een nieuwe aftakking van de Rijn, de IJssel kon weer door het oude dal stromen.
Nadat het Weichselien ten einde was gekomen veroorzaakte het smeltende ijs een sterke zeespiegelstijging. Tegen 5500 v.Chr was het grootse deel van de ijskappen afgesmolten en begon de snelheid van de stijgende zeespiegel af te nemen. De zee was via het Oer-Vechtdal diep het binnenland binnengedrongen. Er brak een relatief rustige tijd aan waarin het tempo van de zeespiegel verder afnam. Het grote bekken kon zich vullen met sediment en er ontstond een uitgestrekt getijdenlandschap met kwelders en slikken.
Op een gegeven moment overtrof de hoeveelheid sedimentatie ruim de hoeveelheid die nodig was om de zeespiegelstijging bij te houden. De kustlijn schoof op naar het westen waar een gordel zandbanken en duinen uiteindelijk de kustlijn afsloot. Achter de duinen kwam veengoei op gang die het volledige landschap bedekte. Midden in het veen ontstonden grote meren. Uiteindelijk wist het water zijn weg te vinden naar het noorden. Door erosie van de smalle doorgang en de invloed van stormvloeden ontstond de Zuiderzee.
| |
|