Het Zeekleilandschap is van oorsprong een grote kwelder, hoog opgeslibt door aanvoer van sediment. De zee kon met het getij vrij het landschap in en uitstromen. 600 v.Chr. werd de kwelder bewoonbaar. Om veilig te zijn voor hoge vloeden werden aanvankelijk terpen opgeworpen. Vanaf 900 n.Chr. begon men het land te bedijken.
Vanaf de vroegste geschiedenis hebben de boeren het landschap vorm gegeven. Ook nu nog bepaalt de agrarische sector voor een groot deel het beeld van het buitengebied in de kleistreek. In de loop der jaren is er veel veranderd aan de gebouwen en de manier van werken.
Kloosters hebben een belangrijke rol gespeeld bij de ontginning van Fryslân. Ze werden bij voorkeur gebouwd op onherbergzame, woeste grond die moest worden ontgonnen omdat ze werd gezien als heidens. In Fyslân zijn nog maar weinig zichtbare sporen uit de kloostertijd. Enkele decennia na de reformatie werden de kloosters opgeheven, bezittingen vervielen aan de Staten van Friesland en de gebouwen werden afgebroken.
In de late middeleeuwen was de Friese samenleving verdeeld in twee kampen die elkaar bestreden: de Schieringers en Vetkopers. Door de uitvinding van baksteen konden de rijken huis en haard verdedigen met stinzen, versterkte stenen torens en huizen. Eind 15e eeuw kwam door toedoen van hertog Albrecht van Saksen Fryslân onder gezag van het Heilige Roomse Rijk en werd het rustiger. De versterkte stinzen werden omgebouwd tot staten, voorname landhuizen waarvan er vele in Fryslân stonden. Veel van die staten zijn afgebroken en vaak is niet meer van over dan een naam op papier of een vermelding op een oude kaart.
Na de aanleg van dijken was het veilger en confortabeler wonen, men kon het (regen)water door sluizen en duikers in de dijk laten afstromen. Binnen de afgedijkte kwelder slibde het landschap echter niet verder op. De zeespiegel bleef stijgen maar het land bleef laag. Er ontstonden problemen met de afwatering. Het natuurlijk laten afvloeien van water was niet meer voldoende om de zaak droog te houden. Naast spuien moest men ook mechanisch water weg pompen. Aanvankelijk ging dat met behulp van windmolens. Later met stoom, diesel en elektrische gemalen.
De hermetische afsluiting van het land door dijken, sluizen en gemalen heeft ook nadelen. Zo kunnen trekvissen zoals Paling niet meer vanuit zee het binnenwater opzwemmen en dreigen uit te sterven. Om dit probleem op te lossen worden gemalen voorzien van een vispassage. In een aantal gevallen gaat het nog een stap verder en wordt ook een geleidelijke overgang van Zoet naar Zoutwater aangelegd.