|
Stormvloeden en wateroverlast
In het gebied rond de Middelzee werden steeds meer dijken aangelegd, er kwam een ringdijk rond heel Westergo. Aan de westkust werd rond 1100 voorzichtig een begin gemaakt met het inpolderen van de Marneslenk. De Middelzee begon nu serieus te verlanden wat ook problemen gaf voor de waterbeheersing van het zuiden van Oostergo, het achterland van Grou. Het water in het veengebied van de Lege Geaen kon niet meer wegkomen en de Wjittering veranderde in een klein meer. Doordat Fryslân nu aan drie kanten was omgeven door de zee kwam het gevaar van de overstromingen vooral uit de Zuiderzee, over het laag gelegen land in het zuiden.

De 12e eeuw en 13e eeuw vallen op door het grote aantal stormvloeden. In 1164, 1170, 1196, 1214, 1219, 1248, 1280 en 1287 waren er overstromingen met veel schade en slachtoffers.1 Twee stormen springen er uit omdat ze voor de ontwikkeling van het landschap van doorslaggevend belang waren:
Allerheiligenvloed 1170: Texel en Wierum werden eilanden. Tussen Starum en Enkhuizen werd land weggeslagen waardoor de doorgang naar het Almere werd verbreed.2
Sint-Luciavloed, 1287, (de Grutte Stoarm): Het eiland Griend werd onbewoonbaar en nog meer land aan de kust van de Zuiderzee ging verloren.
Het is niet te zeggen bij welke storm nu precies de Zuiderzee is gevormd. Sommige bronnen vermelden 1170 en andere 1287, ook de winter van 1248-49 (met 3 stormen) wordt wel genoemd. In de praktijk zal de erosie van de kust in meerdere stappen zijn gegaan. Het overzichtskaartje hierboven geeft het beeld voor 1250 n.Chr.
Verder ...
| |
|