PijlNaar de thumbnails

de Veenpolders

In Fryslân was het laagveengebied al grotendeels in cultuur gebracht voordat de grootschalige vervening in 1751 begon. Dat wordt duidelijk als je de gebieden van de veenpolders opzoekt op de kaarten van de Schotanus-Halma-atlas uit 1718. Verreweg de meeste dorpen zijn al aanwezig en het omringende land was in gebruik. Van verschillende delen wordt de functie op de kaarten aangegeven: Maden (hooilanden), Fennen (weiland), Uytgangen (dat is de benaming voor eindpunt van een opstrekkende verkaveling). Ook "Venen" of "Veen Landen", "Hoogh Veen" en een enkele kleinschalige "Turf Gravery" staan aangegeven. Ten oosten van Heerenveen en Drachten was de grootschalige ontginning van het hoogveen al flink op gang gekomen. In het Haskerland werd al behoorlijk verveend volgens de Friese methode.

In 1751 kwamen verveners uit Giethoorn naar het Haskerland (bij de Jouwer en it Hearrenfean). Ze introduceerden de methode van slagturven met baggerbeugels. De dorpen in de regio maakten een flinke groei door. De Gieterse methode veroorzaakte veel schade aan het landschap. Aaneengeloten diepe plassen konden niet meer herstellen, het boerenland wat er voorheen lag werd onbruikbaar. Het bestuur van de Provincie Fryslân wilde de turfgraverij reglementeren en zo de verveners dwingen de vernatting tegen te gaan. In 1822 kwam het besluit van de landelijke overheid dat de verveende landen bepolderd moesten worden als de turfgraverij uitgeput was. Er werd een fonds ingesteld om de uitvoering te bekostigen, de veenbazen moesten hier naar verveend oppervlakte een bedrag in storten.

Aanvankelijk ging het goed met herstel van de verveende landerijen. De landbouwcrisis van 1878-1895 en de opkomst van kolen en olie, zorgden voor een terugval in de turfgraverij. In de Eerste Wereldoorlog kwam er nog een kleine opleving, daarna stortte de vraag naar turf volledig in. Een aantal van de jongere turfgraverijen zijn daardoor blijven liggen. Die gebieden, Rottige Meenthe, Brandemeer, Oosterschar en de Deelen, hebben zich kunnen ontwikkelen tot belangrijke natuurgebieden.

Elke veenpolder had in het begin een eigen systeem voor het waterbeheer. Rond 1958 waren er in Fryslân honderden polders, veenpoders en waterschappen ontstaan. Bovendien was er nog niets geregeld in één derde deel van de provincie. Tussen 1938 en 1980 vonden er fusies plaats, uiteindelijk in 1993 resulterend één Wetterskip Fryslân dat verantwoordelijk werd voor het totale beheer inclusief waterzuivering en de waddeneilanden, uitgezonderd Vlieland. De jaartallen op het kaartje geven de periode aan waarin de veenpolder als zelfstandige beheereenheid heeft bestaan. Het eerste jaartal geeft aan wanneer de ontginning begon, het tweede is het jaar dat polder is opgegaan in een ander waterschap.




Een klein restant van het landschap zoals het voor het ontstaan van de veenpolders was, is te vinden tussen Gorredijk en Langezwaag, de (Kortezwaagster) Fennen. Het is ontsnapt aan het steken van hoogveen door de Schoterlandse Compagnon en de turfgraverijen van de Gieterse slagturvers in het laagveen.

Kaart van de Veenpolders
de veenpolders naar gegevens van it Wetterskip Fryslân

Naar de Homepage

Fryslansite ©Hendrik van Kampen