
Pingoruïnes zijn een overblijfsel van de IJstijd. Nadat de gletsjers zich uit Fryslân
hadden terug getrokken bleef het klimaat toch nog lange tijd koud. De bodem was
permanent bevroren. In deze situatie kan water dat bijvoorbeeld van een ondergrondse
kwelwaterstroom komt, bevriezen. Door de voortdurende aanvoer van water vormt
zich in de bodem een IJslens. De groeiende lens drukt de aarde naar de zijkant weg.
Op een gegeven moment glijdt de aarde, die de lens aan de bovenkant bedekt, er vanaf.
De lens smelt dan. Tenslotte blijf de plaats waar de lens ooit was, zichtbaar als klein
rond meertje.
Later, als het klimaat warmer wordt kan zo'n meertje verlanden en dicht groeien met veen.
Het is dan niet zo gemakkelijk meer om ze in het landschap te herkennen. Door het uitgraven
van het veen in het verleden zijn een aantal pingoruïnes nu weer meertjes geworden. Vroeger
werden ze daarna vaak gebruikt als drinkplaats voor het vee. Tegenwoordig is dat niet meer
nodig en moeten ze af en toe worden uitgebaggerd om te voorkomen dat ze opnieuw verlanden.
Op de hogere zandgronden zijn ook droge Pingoruïnes te vinden.