Strand en Duinen ![]()
Dekzand ![]()
Keileem ![]()
Beekdalen ![]()
Veen ![]()
Zeeklei ![]()
Zee ![]()
Wadden ![]()
Niet reconstrueerbaar (zand) ![]()
Veronderstelde waterloop ![]()
In de midden-steentijd (Mesolithicum) veranderde het klimaat in onze omgeving. Het werd
warmer en vochtiger. De zeespiegel ging sterk stijgen, van -45m tot -4m NAP. De Noordzee
liep vol en het was niet meer mogelijk over land naar Engeland te gaan. In het westen van
Nederland drong de zee diep het binnenland in en vormde daar een baai. Later zou hieruit
de Zuiderzee (het IJsselmeer) ontstaan.
Tegen het einde van de Steentijd verminderde de stijging van de zeespiegel. In de laatste
1000 jaar was deze nog slechts 1 meter. Het gemiddelde niveau kwam op -3m NAP te liggen.
Hierdoor kon zich op de plaats waar nu de Waddeneilanden zijn een Duinenrij vormen.
In de kustwateren zorgde sedimentatie
voor het ophogen van de bodem. Dit proces zorgde ervoor dat aangroei van land gelijke
tred hield met de zeespiegelstijging.
Tijdens de late-steentijd (Neolithicum) begon het klimaat te verbeteren. In deze periode
zien we de eerste landbouw opkomen. Echter, door de toch nog langzaam stijgende zeespiegel
brak de zee door de duinenrij op de plaats waar oude rivierbeddingen lagen. Hier ontstonden
kleine kwelders. Ook het grondwater steeg onder invloed van de stijgende zeespiegel. Het
land werd zo nat dat veen vanuit de lagere gebieden en beekdalen ook de hogere zandgronden
kon gaan bedekken. Dit proces vond vooral plaats op de vlakkere gedeelten van ons land,
omdat de afwatering hier veel minder goed is. Hierdoor kwam er steeds minder leefruimte
voor de mens beschikbaar. (Bij een opgraving bij Bornwird in noordoost Fryslân is een
omgeploegde akker onder de daar aanwezige veenlagen gevonden).