De Late Middeleeuwen (1000-1500)

Strand en Duinen
Dekzand
Keileem
Beekdalen
Veen
Jonge zeekleipolders
Zeeklei
Kwelderwallen
Zee
Wadden
Zoetwater

Dit is de periode dat grote stormvloeden Fryslân teisteren. Door de in de vorige periode ingezette bodemdaling, die het gevolg is van ontginning van het veen, is het centrale deel van Fryslân gevoelig voor overstromingen geworden. Een aantal ernstige stormvloeden eisen veel slachtoffers. Dorpen moeten worden verplaatst en de meren worden steeds groter. Op de huidige topografische kaarten is te zien dat de richting van de verkaveling dwars door de meren heen loopt, een bewijs dat deze door mensenhand zijn ontstaan. Slechts het Bergumermeer en het Tjűkemar hebben een natuurlijke oorsprong.

In het noordelijke zeekleigebied slaan de laatste delen van de voormalige verbinding tussen Noord-Holland en Fryslân weg. Grote delen van de Friese kwelders worden door de terpbewoners met een dijk omringd. De middelzee, die Fryslân als het ware in tweeën deelt, begint te verlanden. Door de aanleg van dijken zijn de terpen niet langer nodig voor de veiligheid. Dankzij de goede bereikbaarheid over zee (Zuiderzee, Marneslenk en Middelzee), en de daaruit volgende handelscontacten, worden enkele nederzettingen op de klei zeer machtig en welvarend. Ze hebben het agrarische achterland niet meer nodig voor het levensonderhoud. Het worden centra van macht, handel en rechtspraak. Zo ontstaan de Friese steden. Alleen de oudste stad, Starum, heeft in 1292 haar rechten van graaf van Holland en Zeeland, Floris V, aantoonbaar gekregen. De overige steden hebben hun rechten afgedwongen door hun dominante positie in de regio. Een aantal dorpen heeft de stedelijke status net niet behaald. (o.a. Makkum, Berlikum.)



© www.fryslansite.com