Strand en Duinen ![]()
Dekzand ![]()
Keileem ![]()
Beekdalen ![]()
Veen ![]()
Jonge zeekleipolders ![]()
Zeeklei ![]()
Kwelderwallen ![]()
Zee ![]()
Wadden ![]()
Zoetwater ![]()
Dit is de periode dat grote stormvloeden Fryslân teisteren. Door de in de vorige periode
ingezette bodemdaling, die het gevolg is van ontginning van het veen, is het centrale deel
van Fryslân gevoelig voor overstromingen geworden. Een aantal ernstige stormvloeden eisen veel
slachtoffers. Dorpen moeten worden verplaatst en de meren worden steeds groter. Op de huidige
topografische kaarten is te zien dat de richting van de verkaveling dwars door de meren
heen loopt, een bewijs dat deze door mensenhand zijn ontstaan. Slechts het Bergumermeer
en het Tjűkemar hebben een natuurlijke oorsprong.
In het noordelijke zeekleigebied slaan de laatste delen van de voormalige verbinding tussen
Noord-Holland en Fryslân weg. Grote delen van de Friese kwelders worden door de terpbewoners
met een dijk omringd. De middelzee, die Fryslân als het ware in tweeën deelt, begint te
verlanden. Door de aanleg van dijken zijn de terpen niet langer nodig voor de veiligheid.
Dankzij de goede bereikbaarheid over zee (Zuiderzee, Marneslenk en Middelzee), en de daaruit
volgende handelscontacten, worden enkele nederzettingen op de klei zeer machtig en welvarend.
Ze hebben het agrarische achterland niet meer nodig voor het levensonderhoud. Het worden
centra van macht, handel en rechtspraak. Zo ontstaan de Friese steden. Alleen de oudste stad,
Starum, heeft in 1292 haar rechten van graaf van Holland en Zeeland, Floris V, aantoonbaar
gekregen. De overige steden hebben hun rechten afgedwongen door hun dominante positie in de
regio. Een aantal dorpen heeft de stedelijke status net niet behaald. (o.a. Makkum, Berlikum.)