Dekzand ![]()
Keileem ![]()
Beekdalen ![]()
Niet reconstrueerbaar (zand) ![]()
Veronderstelde waterloop ![]()
IJstijden
Tijdens een ijstijd is de gemiddelde temperatuur een stuk lager dan normaal. De temperatuur
kan zelfs zo laag worden dat de rand van het poolijs veel verder naar het zuiden komt te liggen.
Het hele landschap kan dan door een dikke ijslaag worden bedekt.
Een dergelijke ijskap ontstaat door overvloedige sneeuwval in een zogenaamd brongebied. Als
gevolg van de lagere temperatuur smelt de sneeuw in de zomer niet meer volledig af. Door de
druk van de steeds maar groter wordende sneeuwmassa's in het brongebied, verdicht de sneeuw
zich tot ijs. Vanuit het centrum begint de massa naar de randen te stromen. Hierdoor kan de
door het ijs bedekte oppervlakte steeds groter worden. Het grotere oppervlakte draagt zelf
ook weer bij aan een verdere temperatuurdaling, zodat het effect zichzelf versterkt. Als dit
op grote schaal gebeurt spreken we over een IJstijd.
Door het ijs wordt altijd veel materiaal (keien, gruis en zeer fijn mineraal stof) uit het
brongebied meegenomen. Dit materiaal wordt onder de gletsjer weer afgezet. Deze afzettingen
noemen we een grondmorene. Als de gletsjer groeit wordt de grondmorene aan de rand opgestuwd
tot een heuvels, de stuwwal. Deze blijven achter als het klimaat warmer wordt en de gletjer zich
terug trekt. Door materiaal uit de stuwallen en morene met materiaal uit andere landstreken
te vergelijken, heeft men ontdekt dat het brongebied van de gletsjers die Fryslân bedekten
in Scandinavië ligt. Het is zelfs mogelijk zeer precies de kleinere brongebiedjes van individuele
ijsstromen te achterhalen. Door de hoge druk van de gletsjer vormt het achtergelaten materiaal
een taaie ondoordringbare laag, Keileem.
Fryslân en de ijstijden
Tijdens de voorlaatste ijstijd (Saalien, tot 120.000 v.C.) lag heel het noorden van Europa,
inclusief Fryslân onder een dikke laag Gletsjerijs.
In Nederland lag de grens van het ijs ongeveer op de plaats waar nu de Rijn en Maas stromen.
De stuwallen en grondmorene die tijdens deze IJstijd zijn ontstaan hebben geleid tot de
ontwikkeling van het reliëf in het landschap zoals dat we nu kennen.
Nadat het ijs was gesmolten volgde er een kortere warme periode, waarna er een nieuwe ijstijd
begon. Tijdens deze laatste ijstijd (Weichselien, tot +/- 10.000 v.C.) werd Nederland niet door
gletsjers bedekt, maar het was wel flink kouder. Het landschap van Fryslân was tijdens deze
IJstijd één grote toendra. De Noordzeespiegel lag een stuk lager. Het was mogelijk over land
naar Engeland te gaan. Sterke winden zorgden voor enorme zandverstuivingen. Na verloop van tijd
was heel het land onder een dikke laag dekzand verdwenen. Slechts de hoogste gedeelten van de
keileem gletsjermorenen bleven dicht aan de oppervlakte. Het was nog zo koud dat de vorst het
gehele jaar diep in de grond zat. Op plaatsen waar grondwater naar de oppervlakte kwam vormden
zich IJslenzen (pingo's) in de bodem. Als een Pingo later smelt laat hij een mooi rond meertje
of kuil achter. In het oosten van de provincie zijn nog veel van deze
Pingoruïnes te vinden. (klik op de link voor meer hierover.)